Posts tonen met het label beslan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label beslan. Alle posts tonen

zaterdag 5 februari 2011

Beslan - Het dagboek van Agunya - derde dag






Om eerlijk te zijn – de derde dag van het schrijven heb ik onderbroken. Hij was te enerverend en te lang. De herinneringen doen me pijn, dus kon ik hem niet afmaken, omdat ik niet kon opblijven tot het einde.
 
 
3 september 2004
 
De ontknoping
 
We staan heel vroeg op. We moeten terug naar de sportschool. Onze plaatsen op de bankjes bij het raam zijn bezet. Uiteindelijk vinden we een plek ergens in het midden van de ruimte.
 
De tijd kruipt. Onmogelijk om je te verplaatsen. Ik zie sommige mensen met bekers gele vloeistof. Ineens besef ik dat het urine is.
 
Zarina is hier met haar neefje. Hij is hij zeer zwak en blijft maar vragen om water. Opeens pakt ze ergens een beker met urine en geeft hem een beetje, veegt haar eigen en zijn gezicht ermee af. Daarna zie ik ook andere kinderen drinken.
 
Het lukte me niet mijn teergevoeligheid te overwinnen en mijn dorst was kennelijk niet sterk genoeg om er ook van te drinken.
 
Ik dommel weer in en droom niet van de vrijlating, maar van de dood, want dat lijkt de meest waarschijnlijke uitkomst. We verlangen nog maar naar één ding, het einde – het maakt niet uit hoe, was het maar allemaal voorbij.
 
Ik voel me zo hulpeloos, ben zo moe, dat ik het liefste wil gaan liggen en slapen, maar de rebellen beginnen te schreeuwen en zeggen dat ze iedereen, die in slaap valt, gaan doodschieten.
Moeder zegt dat we moeten opstaan. We helpen Zarina overeind, die zo zwak is dat het haar zelf niet lukt. Ze vraagt me naar de tijd. Ik kijk naar mijn roodbruine Swatch en zie dat het bijna 1 uur is. Op dat moment gaat de telefoon. Ik hoor ze vertellen over de terugtrekking van de troepen uit Tsjetsjenië. Voor de eerste keer in die drie dagen wil ik huilen, want er is hoop. En dan…
 
Ik dacht dat ik het bewustzijn was verloren. Het brandende dak was naar beneden gekomen. Alles was boven op ons gevallen, mensen lagen verspreid onder het puin.
 
Het eerste wat ik weer zie, is het verbrande en verkoolde lijk van een terrorist op een stoel, die met een emmer water wordt overgoten door een andere terrorist.
Mijn moeder en ik komen overeind en proberen weg te komen. Ik zie een grote bobbel op mijn, wat later bleek, gebroken linkerhand maar zie geen andere ernstige wonden. In de schouder van mijn moeder zie ik een kleine opening. We lopen naar de deur. Overal liggen lichamen, delen van het plafond, rokende houten balken.
 
Vlakbij de deur zag ik iets dat nog steeds in mijn hoofd rondspookt: het lichaam van een klein, mager meisje. Ik keek omhoog, naar boven haar hals, maar realiseerde me ineens dat er geen bovenste helft van een schedel te zien is, maar alleen het wit-rode vruchtvlees van een mooi, maar dood gezicht. Het was het meest verschrikkelijke en afschuwelijkste moment, misschien wel – samen met het besef dat het allemaal echt is.
 
De terroristen brengen ons van de sportzaal naar de eetzaal. Daar kunnen we water drinken uit grote vaten. Sommige kinderen hebben koekjes gekregen, waar ze gulzig van eten.
Naast mij staat een man met een jongen in zijn armen. De jongen draagt een broek en een wit overhemd met in het midden een grote rode cirkel van bloed. Hij ademde moeizaam. Het klonk meer als een soort gereutel van een vreemd dier.
Mijn moeder vraagt me: “is dit mijn Vova?”
Ik denk van wel, maar aarzel, ben er niet zeker van, alsof mijn waarneming en verstand een loopje met me nemen.
 
Een meisje van een jaar of acht klampt zich vast aan mijn moeder.
“Galina Hadzhievna, ik ken u. Mijn moeder en zus zijn overleden. Mag ik bij u wonen. Ik zal u kleden en baden, goed?”
Mijn moeder knikt alleen maar, probeert haar gerust te stellen.
 
De terroristen zetten enkele gijzelaars in het venster om te voorkomen dat de soldaten buiten gaan schieten. Vrouwen willen niet dat kinderen bij het raam zitten en wisselen met hun van plaats.
 
Opeen klinkt er een explosie. Ik kijk naar het plafond, zie het naar beneden komen om me van top tot teen te bedekken. Ik denk: “Dit is het einde, dit is het moment dat ik doodga”.
 
Ik word wakker. Naast mij ligt een jongen in een plas bloed. Ik kijk naar zijn been en zie een wond net onder de knie. Er steekt iets wits uit, een bot.
Mijn moeder ligt naast hem. “Mijn been,” zegt ze.
 
Ik zal het mezelf nooit vergeven dat ik niet naar haar luisterde. Het voelt als verraad. Ik weet niet wat het was, maar ik draaide me om en ging weg.
 
Met veel pijn en moeite kruip ik op handen en voeten naar het gebroken raam. Dichtbij het venster staat een kachel, waar ik op klim om bij de vensterbank te komen. Op een van de andere kachels, zie ik de lijken van twee naakte jongens, met de armen om elkaar heen geslagen, als broers. Hun ogen… Blijkbaar zijn ze tentoongesteld in het venster of het zijn kinderen, die alleen maar probeerden weg te komen.
 
Ik kruip uit het venster en val op straat. Een pijnscheut trekt door mijn been. Ik zie soldaten en ze schreeuwen tegen me: “Kom op lieverd, kom dan!”
Ik kan niet meer, voel me hulpeloos en begin te huilen, voor het eerst in die dagen moet ik huilen.
 
Ze pakken me op, leggen me op een brancard en dragen me weg. Mijn rechtervoet ligt in een vreemde knik en doet vreselijk pijn.
 
Ze brengen me naar het ziekenhuis, waar ik in een operatiekamer kom te liggen, samen met mijn moeder, maar dat ontdek ik pas later. Daar, in het ziekenhuis moet ik vechten tegen mijn geweten en tegen de gedachte dat ik nog steeds gegijzeld word.
 
Later lees ik bij toeval de condoleances voor mijn moeder en kom ik erachter dat de letter D in MADAMM niet meer bestaat – Dzerochka is gestorven, evenals Arsene en Alanka – mijn heldin van de afgelopen dagen.
 
Heel veel kinderen zijn daar omgekomen, de nobelste en sterkste onder ons zijn verbrand, doodgebloed.
En nog steeds sterven er mensen door terroristische aanslagen. Het gebeurt steeds en steeds opnieuw.
Ik heb nog niet eens de helft verteld, kunnen vertellen, want het geheugen is een prachtig ding. Het probeert al het slechte, al het verschrikkelijke te vergeten.
 
Ik heb u verteld over wat er gebeurd is in mijn geliefde school, met mijn familie, mijn beste vriendinnen - over het vroegere leven, dat van mij is afgenomen. Vanaf toen is elke dag een nieuw ‘later’.
Er zijn kinderen en ouderen van het leven beroofd, anderen lijden nog elke dag onder hun verminking en verwondingen.
 
Er wordt nog steeds onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen, maar ze komen al zes jaar geen stap verder. De vragen die wij toen hadden, blijven tot op vandaag onbeantwoord.
Dit is mijn verhaal - ook al is het wreed en misselijk makend, ik heb het nu verteld – het is mijn waarheid.
 
 
Dank u voor uw aandacht.
 
 
 
Bron Agunya LiveJournal


 


   Volgens officiële gegevens stierven bij de aanval 331 burgers. Vele overlevenden verkeerden in shock. Anderen stierven in het ziekenhuis alsnog aan hun verwondingen.
 
   De Russische president Vladimir Poetin kondigde twee dagen van nationale rouw af.
   Op 7 september namen 135.000 mensen deel aan een antiterreurdemonstratie op het Rode Plein in Moskou.
 
   De verantwoordelijkheid voor de terroristische daad werd op 17 september 2004 opgeëist door de Tsjetsjeense verzetsstrijder Sjamil Basajev en zijn compagnon Magomet Jevlojev.
   De identiteit van de terroristen was niet onmiddellijk duidelijk. Aanvankelijk ging men er vanuit dat het ging om een groep Tsjetsjenen, maar onderzoek wees uit, dat de groep bestond uit een internationaal gezelschap van Arabieren, Tataren, Kazachen, Tsjetsjenen, Oezbeken en zelfs een plaatselijke inwoner.



Foto's Beslan Memorial
.

Beslan - Het dagboek van Agunya - tweede dag





 
De tweede dag, de langste


 
Het is voor mij belangrijk dat mensen de waarheid lezen, niet bedekt met een sluier van de media, zonder censuur. Het spijt me dat ik ook drie dagen nodig heb om het verhaal te vertellen, maar het kost tijd om alles te herinneren, om erover na te denken. Gedurende deze drie dagen wil ik alles vertellen wat er te vertellen valt, zodat het nooit meer terug hoeft te komen.


 
2 september 2004
 
Vroeg wakker, iets over zeven. Het is nog steeds benauwd. Ik wil drinken, heb een verschrikkelijke dorst.
 
Ze beginnen te schieten, om onbekende redenen. Kennelijk om ons te laten weten: “We zijn er nog, we hebben wapens en jullie zullen geen rust hebben tot we onze zin hebben gekregen.”
Na elk schot beginnen baby’s te huilen. Moeders worden hysterisch.
 
Ze wisten nog niet dat het met hen goed zou komen, dat oom Aushev er voor zou zorgen, dat de moeders met baby’s werden vrijgelaten. Wij moesten blijven, afwachten, hopen op een tweede leven.
 
We krijgen te horen dat onze gijzelaars aan het einde van de eerste dag de volgende eisen voor onze vrijlating hebben gesteld:
 
  1. Terugtrekking van de troepen uit Tsjetsjenië;
  2. Bevestigende verklaringen van Roshal, Poetin, Aschlakanov, Dzasokhov en Zjazikov;
  3. Afscheiding Tsjetsjenië van Rusland.
 
Zodra we deze eisen horen, denken de volwassenen: we komen hier niet levend naar buiten. Het is simpelweg onmogelijk om aan deze eisen te voldoen.
Maar de kinderen zeggen: “Nou laat ze weggaan die troepen en laat die vijf mensen komen en ze dit vertellen. Dan kunnen we gaan. Wat is daar zo moeilijk aan?”
Mamma vertelt ons dat de oplossing misschien wel makkelijk lijkt, maar dat het voor deze vijf mensen heel moeilijk is om aan deze eisen toe te geven.
 
We mogen geen water meer drinken. Ze vertellen ons dat het drinkwater is vergiftigd. Toch staar er de hele tijd een enorme rij voor de toiletten.
 
De tweede dag duurt eindeloos. Ik voel mijn benen niet meer. De stemming daalt, soms probeert iemand grappig te zijn. Ik hoor een mobieltje afgaan: de ringtone van Nokia, maar er volgt geen reactie.
 
Ook nu nog, schrik ik als ik dit geluid hoor, kruipt de angst mijn lichaam weer binnen.
 
Af en toe hoor ik de mannen door de telefoon praten. Ze klinken boos, schreeuwen tegen elkaar. Soms praten ze ironisch, al kan ik er niet om lachen. Ze gebruiken geen grove taal. Vloeken is er niet bij.
 
Voor het luisteren naar de telefoongesprekken zat ik gunstig. Ik hoorde meer dan de meeste anderen. Een ander zat in de buurt van het raam, waar je een beetje normaal kon ademen. In het midden van het lokaal was het om te stikken. We zaten zo dicht op elkaar dat je voor je gevoel te weinig lucht kreeg. Sommige mensen vielen flauw aan het einde van deze tweede dag.
 
Madina en ik staan op om naar het toilet te gaan. We passeren Viktorovna Albina. Op haar schoot ligt een meisje dat bijna geen kracht meer heeft. Viktorovna streelt haar hoofd, praat zachtjes tegen haar om haar te kalmeren.
Ze ziet ons en zegt: “Oh, zijn jullie hier, mijn meisjes - zijn jullie oké? Nou, alles komt goed.”
Ik ben zo blij haar te zien.
 
In de wachtrij ontmoeten we Dzerzhin. Hij vraagt waar we zitten. We vertellen het en proberen hem over te halen bij ons te komen zitten – tevergeefs.
 
’s Ochtends zat ik heel dicht bij de lijn waar de granaten werden geplaatst. Ik hoorde ze door de telefoon onderhandelen. ‘Als jullie niet aan onze eisen voldoen, zullen ze allemaal sterven’ hoorde ik ze zeggen.
 
Als we weer terug op ons plek zijn, loopt een van de terroristen langs met een stapel kranten. Ik ruik het verse papier en vraag me af, waar die kranten vandaan komen. Een andere man met bommen om zijn middel komt langs met een bus met water, terwijl ze ons wijs gemaakt hebben, dat het vergiftigd is.
 
De dag sleept zich voort. Geen beweging, geen nieuws. Geforceerde grapjes. De stemming wordt steeds bedrukter. We mogen niet meer naar het toilet en krijgen ook geen water meer.
 
Plotseling raken de mannen opgewonden. Ze pakken de directeur en nemen haar mee. Even later komt ze terug in het gezelschap van een man in een camouflagepak en met Aushev. Hij vertelt ons dat enkele vrouwen en baby’s zullen worden vrijgelaten. Ik begrijp lang niet alles van wat hij zegt, maar toch ben ik hem dankbaar, dat hij ons weer enige hoop op vrijlating geeft. We willen hem maar wat graag geloven. Met hoop is het overleven wat makkelijker.
 
Na het bezoek van Aushev is de sfeer iets beter. Het is nog altijd erg warm en benauwd. Een bejaarde man is er slecht aan toe. Naast hem zit een mooie vrouw in een zwarte jurk. Ze wendt zich tot een van de strijders met de vraag om hulp, om medicijnen. Hij blaft haar af: “Hij krijgt niets, laat hem maar sterven.”
De vrouw wordt boos en begint te vloeken en te schreeuwen. Daarop richt de strijder de loop van zijn geweer op het gezicht van de vrouw. Ze is niet bang en roept: “Schiet maar.”
Lidushka komt overeind en begint te schreeuwen: “Heb medelijden, alstublieft.”
 
Aan het einde van de dag tonen de terroristen opnieuw menselijke eigenschappen en vertellen ons dat de oudere leerlingen naar een ander lokaal mogen. We staan op en lopen er naar toe. Het is er vrij koel. We nemen plaats op de betonnen vloer.
Recht tegenover mij zit een terrorist, een van de weinigen die nog een masker draagt. Zijn ogen zijn duidelijk zichtbaar. Onder zijn linkeroog zie ik een enorme bloeduitstorting.
 
Gelukkig mogen we onder de douche en kunnen we eindelijk weer eens naar het toilet. Ik loop er heen met Madina en haar broer Dzambika. De vloer ligt vol met gebroken glas. Dzambika kruipt er op blote voeten voorzichtig door heen. Hij is erg mager. We glimlachen naar de posters op de muren met afbeeldingen van boksers, basketballers en bodybuilders.
Terwijl Madina op het toilet zit, praat ik met haar broertje over voetbal, zijn grote passie.
Eindelijk kan ik zelf naar het toilet en kan ik ook wat water drinken.
 
Nooit in mijn leven heb ik lekkerder water gedronken dan op dat moment. Het smaakte perfect, vergiftigd of niet.
 
Ineens beginnen de terroristen te roepen dat we snel terug moeten. Daarna gaan we naar bed. Ik lig naast Dzambika. Hij is helemaal naakt en probeert mijn moeder te omhelzen. Hij is een van haar favoriete leerlingen. Uitgeput vallen we in slaap.
 
 

(wordt vervolgd)
.

Beslan - Het dagboek van Agunya - eerste dag


september 2010

Zes jaar geleden werd de wereld opgeschrikt door een gijzelingsdrama in een school in Beslan, een stadje in de Kaukasus in de voormalige Sovjet Republiek Noord-Ossetië, waarbij ruim 1100 kinderen en volwassen drie dagen door rebellen werden vastgehouden.
Wie herinnert zich niet de aangrijpende beelden van wanhopige ouders buiten de school en van de noodlottige ontknoping, waarbij vele mensen, meest kinderen, het leven lieten.


Pas nog was er een zelfmoordaanslag op een markt in Ossetië, waaruit blijkt dat de situatie in de regio nog steeds explosief is en de kans op herhaling van soortgelijke drama’s nog altijd bestaat.

Kortgeleden kwam ik op een website het verhaal tegen van Agunya, een vrouw die de gijzeling in school Nummer 1 zelf heeft meegemaakt.
Haar dagboek vertelt het verhaal van binnenuit. Misschien geen literair meesterwerk, maar wel een buitengewoon indringend verslag. Het leek me de moeite waard om het in zijn geheel te vertalen en hier te publiceren.





1 september 2010
 
Zodra ik hier, liggend in het ziekenhuis mijn laptop kreeg, ben ik begonnen om mijn herinneringen aan die drie dagen vast te leggen. Precies zes jaar na de gijzeling voel ik de behoefte om deze te publiceren. Er gaat geen dag voorbij of ik denk terug aan die dagen.
 
In mijn stad is er iets verschrikkelijks gebeurd, dat onze levens heeft verwoest - de terroristische aanval op School Nummer 1 in Beslan.
 
 
De eerste dag
 
1 september 2004
 
Ochtend. Hitte. Het is zonnig. 1 september – eerste schooldag. We hebben ons netjes aangekleed: nieuwe witte blouse, zwarte rok, lievelingsschoenen. Mamma heeft haar favoriete beige pakje aangetrokken. Na het ontbijt vertrekken we. Het is 10 voor 9 - prachtig weer. De zon doet pijn aan mijn ogen.
 
We naderen de school, mensen in de tuin en anderen waarschijnlijk al binnen. We verzamelen ons in groepjes en praten over wat we in de vakantie hebben beleefd. Eersteklassers komen met grote boeketten en ballonnen aan.
 
Mijn moeder en ik gaan naar ons klaslokaal. In de hele school hangt de geur van verf. Er was een deel van het plafond ingestort in de gang ergens op de tweede, vertelt mamma.
Alles is rustig. Er is nog niemand in het lokaal. Wij, van de middelbare school (negende klas) beginnen wat later. “Welkom op school!” schrijft mam op het bord.
 
Na een tijdje loop ik de klas uit op zoek naar klasgenoten. In de gang kom ik Madina tegen. We zien de eersteklassers aan hun bureau zitten met linten en bloemen. De ballonnen hebben ze zojuist buiten opgelaten, die zijn al op weg naar de hemel.
Ik zeg tegen Madina dat ik jaloers op ze ben: ze lijken zo klein en gelukkig.
We lopen naar het binnenplein en komen anderen tegen, Christine en Dzerzhin en beginnen enthousiast te praten over onze mooie nieuwe kleren.
 
Hier eindigt ons gesprek. Van heel dichtbij klinken schoten. Ik draai mijn hoofd en zie drie jongens naar de uitgang lopen, gevolgd door een man in camouflagepak en een dikke zwarte baard. Hij rent naar de jongens en schiet in de lucht. Ik denk nog: “maakt hij een grapje of is dit soms een of andere controle?”
Deze gedachte verdwijnt onmiddellijk als ze van alle kanten beginnen te schieten.
We rennen weg en vluchten naar de stookruimte. Daar kruipen we samen. De stoep ligt bezaaid met vertrapte bloemen, schoenen en tassen. Mensen raken in paniek.
Gewapende mannen lopen op ons toe, vertellen ons om te zwijgen en dirigeren ons naar de sportschool.
 
In mijn hoofd draaide de hele tijd de eerste regel die we hebben geleerd, het belangrijkste in noodsituaties: “raak niet in paniek!” Natuurlijk is dit waar, maar geen paniek, dat was onmogelijk. Het gevoel nam mijn hele lichaam, geest en bewustzijn in bezit, het gevoel om ver weg te willen zijn, weg uit deze verschrikking.
Wanneer ik mensen in Hollywood films “geen paniek” hoor zeggen, moet ik altijd lachen, maar dit was niet om te lachen. Het was geen angst die ik voelde, maar een hele sterke wil om te leven.
 
De deur van de sportschool wordt gesloten en vervolgens vernielen ze twee ramen in de gang. We moeten op ons hurken zitten en stil zijn. Ineens zie ik Zarina, mijn klasgenoot. Ze is vlakbij. Ik pak haar hand. Ze knijpt er stevig in en vraagt me om haar niet los te laten.
 
Vreemd, ik kon niets doen om haar te helpen, maar die hand was hard nodig. Een sterk gevoel van samen zijn – dat helpt, is heel belangrijk.
 
We verplaatsen ons naar de sportschool. Als we naar binnen gaan, zie ik Madina weer. Nu zijn we met zijn drieën. We worden bijeengedreven en moeten weer gaan zitten. Er breekt paniek uit, we worden hysterisch. Om ons stil te krijgen pakken ze een man, houden hem voor zich en dreigen hem dood te schieten als we onze bek niet houden. We proberen het, maar het lukt niet.
 
Er klinkt een schot. Ze hebben hem gedood…stilte, doodse stilte, letterlijk…verbroken door gehuil en geschreeuw van kinderen.
 
We moeten onze mobieltjes in een zak gooien. Ze dreigen 20 kinderen dood te schieten voor elk mobieltje dat ze daarna nog horen afgaan. De leraren proberen iedereen te overtuigen alles af te geven.
Een deel van de mensen, waar onder wij moeten naar de andere kant van de sportzaal. Daarna beginnen ze explosieven te plaatsen. Het ziet er allemaal zeer professioneel uit.
 
Ik moet de hele tijd aan mijn moeder denken. Mijn ogen zoeken haar maar zonder succes. Dan opeens hoor ik de stem, die me zo dierbaar is, haar stem. Ze komt op ons af en gaat naast me zitten. Ik vraag haar naar wat ze denkt, dat er gaat gebeuren. Mijn moeder is heel rustig en vertelt ons dat alles in orde komt, dat ze ons vast snel komen redden. Ik besef dat zij het ook niet weet, maar ik wil haar graag geloven.
 
Ook al zat ik in de negende klas, ik voelde me nog steeds een kind, een heel bang kind en ik zag heel veel volwassenen om me heen, die net zo bang waren, als kleine kinderen zo bang. Ik kan het ze niet kwalijk nemen in deze situatie. Het was erg moeilijk om niet in paniek te raken.
 
Rechts van ons zitten twee ‘shahidki’, gesluierde mannen. Ik zie geen mensen, alleen ogen en benen. In de ene hand hebben ze een geweer, de andere hand rust op de gordel op hun buik. Ze hebben zo’n blik in hun ogen, alsof ze tot alles in staat zijn. Als ik naar hen kijk voel ik angst, maar meer nog haat.
 
Vroeger al, toen ik hoorde over de zelfmoordaanslagen, haatte ik ze, wekten ze weerzin op, walging en haat. Volgens mij is een vrouw allereerst moeder en huisvrouw. Hoe kun je in staat zijn om haar te doden, een onschuldig, weerloos menselijk wezen? De vrouw is geschapen om lief te hebben, een man om vrouwen en kinderen te beschermen.
De ideale vrouw was voor mij natuurlijk mijn moeder. Ze had een moeilijk leven, maar is altijd van mijn vader blijven houden, hem trouw gebleven. Ze heeft haar leven aan hem gewijd - en aan ons, haar kinderen.
 
Een gewapende man loopt door de zaal en blijft plotseling vlakbij ons staan. Hij kijkt naar Madina en wordt ontzettend boos. “Schaam je”, roept hij en gooit een jas naar haar toe. Ze heeft blote knieën, die bedekt moeten worden.
Ik voel een zekere opluchting. Ze zullen ons niet zo snel verkrachten, denk ik.
 
Weer loopt er een man langs. Hij heeft een vertrouwd gezicht. Alsof ik hem hier in Beslan al eerder heb gezien. Ik zeg het tegen Madina en ze knikt, ze meent hem ook te kennen. Hij is 35-38 jaar, niet meer en heeft een enorm litteken op zijn nek. Hij gedraagt zich ‘normaal’.
 
Die eerste dag was alles nog redelijk ‘normaal’. Af en toe wezen ze kinderen aan, die naar het toilet mochten om hun behoefte te doen en om water te drinken.
 
De tijd stroomt heel langzaam. Het is heet, verschrikkelijk heet. De kleren plakken aan ons lijf. We trekken wat uit – ik scheur mijn panty. We zorgen er wel voor fatsoenlijk te blijven. Het is zo vol met mensen. Er is nauwelijks genoeg plaats om te zitten.
 
We praten met elkaar. We niet kunnen geloven, dat dit echt allemaal met ons gebeurt, hebben het gevoel dat dit in een andere, parallelle wereld gebeurt, niet in de onze. We blijven optimistisch, maken zelfs grapjes.
 
Achteraf denk ik dat dit de juiste manier was. Als we ze de wanhoop in onze ogen hadden gezien, dan hadden we ze het gevoel gegeven, dat ze ons helemaal in hun macht hadden.
 
Ik denk aan de dag ervoor:
 
We gingen naar school om het nieuwe kantoor van mijn moeder schoon te maken en in te richten. We schilderden de muren en hingen een poster op met Pinocchio. Daarna hebben we er wat gegeten: pitabroodjes met mayonaise en een halve liter limonade voor 9 roebel - Batik, Dzerzhin, Madinka, Alina, mijn neef Timur en ik.
Het was er zo stil en rustig. Niets dat de voorbode van de naderende ramp zou kunnen zijn. We hebben er wel vier uur zitten praten.
 
We bleven wel vaker met ons groepje, dat we MADAMM noemden, naar de beginletters van onze namen, lang op school nakletsen. Soms waren we zo laat dat de school al gesloten was en we door het raam naar buiten moesten klimmen. Het liefst hadden we er dan blijven slapen.
 
Terug naar die eerste dag:
 
Om ongeveer vijf uur schrikken we van een explosie ergens in de school, maar ver weg van de sportzaal, waar wij zitten. Een paar minuten later brengen enkele strijders een gewonde man binnen. Naast ons zit Fatima, een verpleegster. Ze vraagt om medicijnen uit het kantoor om de man te kunnen helpen, maar krijgt geen toestemming. Met een shirt probeert ze de gewonde man te verbinden. Het lukt en ik ben trots op haar.
 
Aan het einde van de dag val ik bijna flauw van de honger of meer nog van de dorst. De hitte is haast ondraaglijk.
 
Om een uur of acht begint het ineens te regenen, grote druppels op de vensterbanken. Door de gebroken ramen proberen we er iets van op te vangen. We hebben zo’n dorst. Ik kruip er naar toe en voel de regen door mijn kleren dringen. Het is het beste moment van de dag in deze hel. Mensen dringen allemaal naar de vensterbank tot ze doorweekt zijn. Gelukkig is het na de regen wat koeler.
 
Iets later. Ze installeren een tv in de kamer om ons te vermaken met de nieuwsuitzending. Er worden 354 mensen gegijzeld. Ik voel boosheid en haat in me oplaaien.
 
De nacht valt. Geen nieuws. Ik wil alleen nog maar slapen, voel geen honger en dorst meer. Er wordt chocolade uitgedeeld. Ook ik krijg een stukje, maar ik eet er niet van, geef het weg.
Naast ons zit Lidia Alexandrovna, de directeur. Mensen voelen zich met haar erbij iets veiliger. Ik zie haar eten en voel me in haar teleurgesteld, niet alleen als directeur, maar ook als mens, als volwassene. Al ben je 90 jaar oud, dan nog steek je niets in je mond als smekende ogen van kinderen naar je kijken. Misschien zie ik het verkeerd, maar dat is voor mij een moreel principe.
 
We slapen de hele nacht in paren. Terwijl Madina en Zarina op de bank zitten, slapen mam en ik op de vloer. Na een uur draaien we dit om. Ik zie mensen op de schouder van een ander slapen. We zijn allemaal uitgeput. Het is niet warm meer, maar wel benauwd. Slaperige kinderen hangen huilend in de armen van hun moeder of een andere vrouw.
 
Tergend langzaam kruipt de nacht voorbij.




(wordt vervolgd)
.